Achter de bus aan
En dan zo’n meid die rondfietst alsof het leven één groot feest is. Op een herenfiets nota bene. Nee, daar kan niks goeds van komen.
uit Mien. Een vergeten geschiedenis, Mariska Tjoelker, 2016
Vanaf het moment dat Mien de fiets heeft ontdekt, is ze niet meer te houden. Wel heeft ze al snel in de gaten dat ze met haar eigen damesfiets niet ver komt; ze heeft een herenmodel nodig. Met racestuur. En toeclips. Via een van de meiden met wie ze in 1931 wielerclub VIOS opricht, weet ze zo’n fiets te regelen en daarmee scheurt ze door het dorp. Ze jaagt achter de bus aan en verkent elke centimeter van de duinpaden achter Loosduinen.
De stipjes worden al snel groter en nog voor ze in Kijkduin is, sluit ze weer aan.
Langzaam maar zeker begint ze serieus te trainen en steeds vaker daagt ze haar vriendinnen uit: rijden jullie maar vast richting Kijkduin, zegt ze dan, ik haal jullie zo wel in. Als de vriendinnen niet meer dan stipjes zijn aan de horizon, stapt Mien op. Ze trekt zichzelf met een paar felle pedaalslagen in gang, waarna ze haar benen in een steeds hoger tempo rond laat malen. De stipjes worden al snel groter en nog voor ze in Kijkduin is, sluit ze weer aan. In het begin kijken de andere meiden er nog van op, maar het went snel.
In Loosduinen begint Mien op te vallen. Het dorp is niet groot, de mensen kennen elkaar en in de sleur van alledag is een praatje altijd welkom. Het zijn de taferelen die in ieder dorp dagelijks te aanschouwen zijn: een groepje dames, hoofddoekjes strak onder de kin geknoopt, het bloemen- of ruitenpatroon van de rok die net onder de knielange jas vandaan piept. Pratend over het weer herschikken ze de boodschappen in de tas: de prei wat dieper weg, de rol mariakaakjes voor zondag juist wat meer ruimte – straks verkruimelen ze nog. Soms zet iemand de tas even op de grond, vooral als er aan de mouw nog een peuter staat te dreinen terwijl de opbollende mantel verraadt dat het jengelende kind over een paar maanden alweer aan de zorg van een ouder zusje of broertje zal worden toevertrouwd.
Ach, die meid groeit tussen de jongens op, wat wil je. Het is toch te hopen dat ze gauw aan de man komt.
Daar staan ze, pratend over de prijs van aardbeien, over de regen die maar niet wil komen, over de glasbreuk op de tuin van de buurman. En over Mien gaat het. Een van de dames schudt het hoofd terwijl ze een zuinig mondje trekt. Mien. Ja, die ken je toch wel? Dat meisje achter de toonbank bij Simon de Wit. Och, weet je nog, toen dat kind acht was, redde ze die jongste van Van Son nog uit de sloot. Van Son, je weet wel, de hoefsmid – verkoopt ie tegenwoordig ook geen fietsen? Een van de dames knikt. Maar goed, Mien dus. Die was toen al zo groot, hè. Nou! Je vraagt je af van wie ze dat heeft, Janus en Betje zijn helemaal niet zo fors. Gisteren fietste ze ook weer achter de bus aan, heb je dat nog gezien? Jazeker, ze gaat wel hard, wat je zegt. Maar dat die ouders dat goed vinden, hè. Ja, je weet het niet natuurlijk. Hun andere dochter zat toch in Endegeest? En Betje, heeft die geen reuma? Ja, nu je het zegt, dat arme mens komt bijna nooit buiten. Ach, die meid groeit tussen de jongens op, wat wil je. Het is toch te hopen dat ze gauw aan de man komt. Instemmend geknik, een zuinig mondje dat even zucht. Daarna komt de bruiloft van om het even wie nog even ter sprake – er is altijd wel iemand die gaat trouwen. Ja, volgende week, inderdaad. Ze houden het klein hoor, en geef ze eens ongelijk. Het geld groeit niemand op de rug toch zeker? De andere vrouwen trekken opnieuw hun zuinig mondje, knikken opnieuw instemmend. Bar en boos, dat is het. En dan zo’n meid die rondfietst alsof het leven één groot feest is. Op een herenfiets nota bene. Nee, daar kan niks goeds van komen.