De mazzel
Soms zeiden we het hardop, dat we de polders en plassen zo misten...
De afgelopen twintig jaar woonde ik buiten de grenzen van de gemeente waar ik elke stoeptegel ken. In 2005 vertrokken we naar Leidsche Rijn – geweldige buren, maar verder vooral veel beton en weinig ziel –, in 2014 verkasten we naar Driebergen – wederom geweldige buren, veel natuur ook, maar op het gebied van de ziel bleef het behelpen. Niet zozeer omdat het dorp geen ziel heeft – want die heeft heus – maar omdat die ziel niet aansloot op de mijne.
Terwijl, alles was er: het leuke oude huis, de geweldige tuin, het bos letterlijk om de hoek, een fietsomgeving om je vingers bij af te likken. Wat wil je nog meer? Iedereen die langskwam zei hetzelfde: wat wonen jullie hier toch prachtig! En ik maar knikken, want inderdaad: we woonden hier toch prachtig!
Soms zeiden we het hardop, dat we de polders en plassen zo misten.
Maar dat zachte stemmetje dan? Dat stemmetje dat zich altijd wat luider liet horen als ik de polders en plassen zag, en de rietkragen en de knotwilgen? Soms zeiden we het hardop, dat we de polders en plassen zo misten. Maar, zeiden we dan tegen elkaar: we wonen hier toch ook prachtig!
Tot we op een dag aan elkaar toegaven dat we niet alleen die polders en plassen misten, maar heel ons dorp. De mensen in dat dorp. De winkels en de kroegen met al die bekende koppen. De bootjes in de zomer. De plekken waar we eerder gewoond hebben, waar mijn ouders woonden, mijn opa’s en oma’s, mijn ooms en tantes. Waar ik vroeger met mijn vader ging schaatsen. Waar ik nachtenlang in de kroeg hing met mijn huisgenotes en waar we op zondagmiddag katerig naar de videotheek liepen voor een paar films en tegen zessen bij de snackbar een flinke zak friet en een paar loempia’s ophaalden om het weekend mee af te sluiten.
Bij de ingang van de supermarkt liggen de stoeptegels nog steeds scheef.
En nu zijn we terug. Eindelijk thuis, zeg ik tegen iedereen die ernaar vraagt. Bij de ingang van de supermarkt liggen de stoeptegels nog steeds scheef, het kerkcarillon tingelt nog elk kwartier een deuntje en het café verkoopt nog steeds de spoorpunten waaraan mijn vader als klein jochie stiekem zijn centen voor de kerkcollecte uitgaf.
Bij de kaasboer waar vroeger Wim en zijn vrouw achter de toonbank stonden, staan nu hun kinderen en kleinkinderen, terwijl Wim en zijn vrouw vanuit hun bescheiden fotolijstjes tevreden toekijken. En toen ik pas langs een vol terras liep waar net op dat moment een wat oudere man – met van die stevige knuisten waarin een doodgewoon fluitje ineens een kabouterbiertje lijkt – ‘de mazzel’ hoorde zeggen tegen zijn vrienden, jubelde ik stilletjes van geluk. Is er dan niks veranderd? Zeker wel, meer dan genoeg. Maar de ziel van het dorp is nog steeds dezelfde.
Wil je je waardering laten blijken en mijn werk een steuntje in de rug geven? Dat kan. Jouw donatie helpt mij mooie verhalen te blijven schrijven.
Dank je wel!