Jan en Sara

Groenzwarte weefmachines zover het oog reikte, meer dan honderd stonden er, klaar voor weer een dag stampen, zweten en kreunen, in een cadans die geen seconde stilhield...

Jan en Sara

uit Stof tot zwijgen, Mariska Tjoelker, 2022

‘Wat studeer je eigenlijk?’



‘Rechten.’


‘O.’ Koortsachtig dacht hij na over een vervolgvraag.


‘Ik wilde heel graag studeren, het maakte niet uit wat. En het is een leuke studie, gelukkig.’


‘Moet je... nou ja, moet je alle wetten uit je hoofd leren?’


Ze keek naar hem op: ‘Dat denken veel mensen, ja. Maar gelukkig hoeft dat niet, daar hebben we wetboeken voor. Het gaat vooral om de interpretatie van de wet, snap je? Hoe je de wet moet gebruiken.’ Hij zweeg en durfde haar nauwelijks aan te kijken.

‘En jij, Jan? Wat doe jij precies?’


‘Ik werk gewoon bij je vader. Wever.’


‘Dat weet ik, ja. Maar wát weef je?’
Hij keek opzij.

‘Wat? Wat ik weef?’


‘Ja?’


‘Veel patronen,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ruiten en strepen natuurlijk. En bloemen. Golvende strepen, wafels, ook veel. En verder alle mogelijke combinaties van ruiten en strepen en wybertjes en bloemen, het is maar net wat de dessinateurs verzinnen.’

‘Dus eigenlijk maak jij alles wat wij modieuze jongedames graag dragen.’ Hij schopte een steentje weg en haalde zijn schouders op. ‘Het lijkt me mooi. Het ene moment is er niets en een paar uur later heb je zo’n prachtige lap stof in handen. Dat is toch bijzonder? Jij máákt echt iets, Jan.’

... de blinde muren van de fabriekshallen, de daken met de stenen schoorstenen die misschien wel tot in de hemel reikten – niemand die het wist omdat ze dag en nacht dikke wolken stoom braakten.

‘Tja, als je het zo zegt...’ Ze had gelijk, maar de betovering van de spoel die tussen de draden heen en weer raasde en het op ruitjespapier gevangen patroon van kruisjes en kleurcodes onder zijn vingers tot leven bracht, was ver weg als hij ’s morgens in alle vroegte de deur achter zich dichttrok, als zijn vaalblauwe pet tussen alle andere vale petten verdween en hij het holle geklepper van zijn eigen klompen niet meer kon onderscheiden van de honderden andere klompen die voor, achter en naast hem liepen. De Dennenweg af, de Sparrenstraat, over de Veenbrink, rechts de Lossersestraat in, door de Gronauscheweg en de Gronausche Dwarsweg, links de Nijverheidsweg in en dan de Pijpenstraat – driehonderd meter nog, onder de poort door, de blinde muren van de fabriekshallen, de daken met de stenen schoorstenen die misschien wel tot in de hemel reikten – niemand die het wist omdat ze dag en nacht dikke wolken stoom braakten. Om half zes precies de fluit, vijf schrille tonen, en dan naar binnen.

... altijd die cadans, meedogenloos hield hij je in zijn greep, tezamen met de geur van stoom, zweet, stof en vette zwarte olie...

De spinnerij rechts, daarachter de twijnzaal en de ververij, erachter het magazijn, de expeditie ernaast en dan, links van de twijnzaal, de weverij. Groenzwarte weefmachines zover het oog reikte, meer dan honderd stonden er, klaar voor weer een dag stampen, zweten en kreunen, in een cadans die geen seconde stilhield en ’s avonds, als je een keer een potje bier achteroversloeg, nog altijd die cadans, meedogenloos hield hij je in zijn greep, tezamen met de geur van stoom, zweet, stof en vette zwarte olie, het werd een deel van je lijf, zelfs je hartslag leek zich erop aan te passen, almaar door, almaar door, tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak, en sneller, sneller, sneller.

... de draden, de draden, de draden mochten niet knappen en hoesten tot je de moord stikte deed je thuis maar...

Miljoenen draden had hij al tussen de vingers gehad, honderden onzichtbare knoopjes gelegd, duizenden spoelen vervangen terwijl boven en onder hem de getouwen geen einde kenden, geen genade voor zijn vingers die hij soms tot bloedens toe openhaalde, geen genade voor zijn oren die schreeuwden om stilte, geen genade, geen genade. Door ging het, door, tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak, terwijl de oude wever naast hem soms zo verschrikkelijk stond te hoesten dat hij weleens bang was dat hij erin zou blijven, maar dat kon niet, want de draden, de draden, de draden mochten niet knappen en hoesten tot je de moord stikte deed je thuis maar, ’s nachts, in je nest, als je lijf zo moe was dat je het niet eens meer voelde, en daar lag je, tot ’s morgens om half vijf de wekker weer begon te rinkelen: ontwaakt, ontwaakt, een nieuwe dag is aangebroken.

Hij probeerde het beeld weer kwijt te raken; het was nog lang geen maandag, morgen zou hij met Gijs gaan vissen en bovendien... kijk dan, nu...

‘Zullen we weer terugwandelen?’ onderbrak Sara zijn gepeins.

‘Ja, laten we dat doen.’ Hij keek om zich heen, de donkere vaart, het jaagpad, een stukje verderop een bocht... ‘Maar als we nog een stukje doorlopen... na de bocht is er een smal bruggetje. Of, nou ja, eigenlijk zijn het twee planken, maar ik help je er gerust overheen. Of wil je liever door de stad terug?’

‘Nee, nee, dat hoeft niet. Maar het is toch wel vertrouwd, hè? Want als ik in de vaart val...’

‘Nou, dat zou me nogal een heisa geven, of niet dan?’


‘Ik moet er niet aan denken.’ Ze giechelde.


Op de plek waar hij de twee planken verwachtte, was echter niets te zien. Terwijl hij nog verbaasd om zich heen stond te kijken, trok Sara haar arm uit de zijne en zette een paar passen richting de vaartkant. ‘Hier,’ zei ze ineens, ‘ik dacht al wat te zien, ze liggen hier. In de kant. Vast iemand met een bootje die ze heeft verlegd. Kun je mooi laten zien hoe sterk je bent.’ Met een geamuseerde blik keek ze hem aan.
 Hij slaakte een overdreven zucht en trok zijn mouwen een stukje op. ‘Let jij maar eens op, jongedame,’ zei hij met een bravoure die hij niet voelde. Met haar armen over elkaar gevouwen keek ze toe hoe hij de planken een voor een uit de kant omhoogtrok, ze vervolgens draaide en ten slotte over het water op de wal aan de overkant in het gras liet ploffen. Zachtjes klapte ze in haar handen.

‘Kom,’ zei Jan.


‘Je weet echt zeker dat die planken ons houden, hè?’


‘Natuurlijk wel. Ik heb ze al zo vaak gebruikt. Heb je gezien hoe dik die planken zijn?’ Er volgde een aarzelend knikje terwijl ze zijn uitgestoken hand pakte.

‘Rustig lopen en niet te veel naar het water kijken. Volg gewoon mijn voeten, goed?’ Hij begreep zelf niet waar zijn kalmte ineens vandaan kwam. 

Stof tot zwijgen is als e-boek en luisterboek verkrijgbaar bij de boekhandel.