Op de macht naar de titel

Ze knijpt haar ogen dicht. Opent ze weer; ziet dat de mensen nog altijd staan te juichen en voelt dat ze zelf nog altijd staat te zwaaien, haar benen zwaar en wiebelig.

Op de macht naar de titel

uit Mien. Een vergeten geschiedenis, Mariska Tjoelker, 2016

Omdat het in de strijd om de Europese titel van 1937 zo goed uitpakte, besluiten Mien en Maria de dag voor de wedstrijd al naar het zuiden af te reizen. Opnieuw een goedkoop adresje om te overnachten en opnieuw doet Mien bijna geen oog dicht. In haar hoofd rijdt ze de wedstrijd tientallen keren en steeds springt ze op een ander moment weg en steeds weet Frederickx haar op het laatste moment te overklassen. Ze staat die nacht meerdere malen op om nog een keer de moertjes van haar fiets na te lopen, en nog een keer de remmen, en nog een keer alle spaken, en de ketting – is die wel vet genoeg, of juist te vet? ’s Morgens is ze zo misselijk dat ze alleen een grote tas koffie naar binnen weet te gieten voor zij en Maria naar de start vertrekken.

Rond de start- en finishplaats is het al druk. Het belooft een redelijk zonnige dag te worden, maar nu is het nog grijs en de meeste mensen dragen een warme jas, sommige al met de kraag omhoog, Mien ziet zelfs al een enkele sjaal.

Ze zet de fietsen ertegenaan en gaat zitten, één voet steunend op het frame van haar fiets.

Voor het café staat een overdekte kraam waarachter een dikke vrouw staat, het grijze haar op een knot, een verwassen vest en daaronder een schort vol vetvlekken strak onder de afgezakte boezem gestrikt. Ze deelt soep en kippenkluifjes uit en als Mien en Maria dichterbij komen, voelt Mien ineens haar maag die zich tegelijk omdraait en protesteert van de honger. Hier, eet, zegt Maria, terwijl ze haar vriendin een kom lauwe soep met een stuk brood in de handen duwt en meteen weer wegloopt. Mien kijkt om zich heen en ziet een stukje verderop een lege bank staan. Ze zet de fietsen ertegenaan en gaat zitten, één voet steunend op het frame van haar fiets. Even later is Maria weer terug, twee borden met stukken kip, een paar eieren, garnalen en boterhammen met dikke plakken ham triomfantelijk voor zich uit houdend. Onder haar armen klemt ze twee druppelende drinkbussen. Zo, zegt ze lachend terwijl ze Mien een drinkbus geeft, koffie met een paar flinke scheppen suiker en een scheut wijn. Als je nu niet wint! Mien grimast.

Dat de grens van de honderd kilometer wordt gepasseerd, is in haar voordeel; er zijn niet zoveel meiden die er na honderdtwintig kilometer nog een goede sprint uit kunnen persen.

De honderdtwintig wedstrijdkilometers voeren de rensters langs het Centrumkanaal, in twaalf rondjes van tien kilometer. Weinig wind, droog, een uiteindelijk toch nog karig zonnetje – dat zijn de elementen die Mien vandaag begeleiden. Dat de grens van de honderd kilometer wordt gepasseerd, is in haar voordeel; er zijn niet zoveel meiden die er na honderdtwintig kilometer nog een goede sprint uit kunnen persen. Het is een kwestie van doseren, weet ze. Zich niet gek laten maken. Niet schrikken van de demarrages van haar concurrentes. Rustig blijven als er een groepje vooruit blijft. Vertrouwen. Blijven zitten. Opletten. Afwachten. En pas gaan als de rest is uitgepierd.

De enige om wie ze zich zorgen maakt, is Maria Frederickx. Vanmorgen zag ze al dat zij zich ook goed voelt.

De eerste zeventig kilometer houdt ze zich rustig op in de buik van het peloton. De snelheid ligt behoorlijk hoog, maar zo in de zuiging kost het haar geen energie. Af en toe haalt ze wat brood uit de achterzak van haar truitje. Ze eet op haar gemak, de misselijkheid van vanmorgen is verdwenen en ze neemt zelfs het rauwe ei dat Maria haar geeft, aan. Ze voelt zich goed, is alert. De enige om wie ze zich zorgen maakt, is Maria Frederickx. Vanmorgen zag ze al dat zij zich ook goed voelt. De licht verende tred toen ze haar startnummer ophaalde en de presentielijst tekende, het vrolijke gemak waarmee ze een praatje maakte met een van de juryleden – het is veelzeggend, wist Mien meteen. In haar hoofd hoorde ze de stem van Piet: wéét wat de concurrentie doet. Observeer. En dus manoeuvreert ze zich halfweg koers vlak achter Maria. Het kijken begint.


Ik kan me een vrouw tennissend indenken, liggend in een luie stoel, in short en plastron, met in de eene hand nonchalant een racket bengelend en in de andere hand een kop thee. Een dergelijke sport hoort haast bij een vrouw. Maar wielrennen…

Eigenwijze overwegingen, Sport in Beeld/De Revue der Sporten, 24 oktober 1938


Haar benen trillen nog altijd als ze het podium op stapt. Het publiek juicht. Ze zwaait. Vanbinnen heeft ze het gevoel dat ze wel zou kunnen lachen en huilen tegelijk – en zingen, misschien zelfs dansen. En bier drinken, samen met Maria. Veel bier, met tussendoor een hele kip om samen kaal te plukken. Met die gestreepte trui om haar schouders en die foeilelijke beker voor haar op tafel. Háár beker. Ze knijpt haar ogen dicht. Opent ze weer; ziet dat de mensen nog altijd staan te juichen en voelt dat ze zelf nog altijd staat te zwaaien, haar benen zwaar en wiebelig. Het is zondag 16 oktober 1938 en Mien heeft net honderdtwintig kilometer koers achter de rug. Drie uur en eenenveertig seconden had ze daarvoor nodig, schrijft Het Zaans Volksblad een paar dagen later. Mien van Bree. Uit Loosduinen. Wereldkampioene.

Mien. Een vergeten geschiedenis is verkrijgbaar bij de boekhandel.