Over arbeiders en directeuren

... en vanaf de straat kon je de enorme kroonluchters zien en de obers en serveersters die eruitzagen om door een ringetje te halen en die als knipmessen bogen als dat zo te pas kwam...

Over arbeiders en directeuren

uit Stof tot zwijgen, door Mariska Tjoelker, 2022

Het kleine café van zijn oom en tante was afgeladen. De ruimte stond blauw van de rook en de opeengepakte stemmen klonken geagiteerd. Terwijl Jan zich een weg naar de toog baande, werd hij door verschillende wevers aangeklampt – had hij misschien al wat van de bond gehoord?

‘Verdomme, jongens, ik heb dorst!’ riep hij uit. Hij duwde wat jongens opzij tot hij eindelijk was waar hij wezen moest en hij pakte de volle kroes bier van tante Tiny aan. Gulzig nam hij een paar slokken, waarna hij zijn lippen afveegde en om zich heen keek. De meeste jongens kende hij en van de paar die hij niet kende, herkende hij in ieder geval de gezichten en wist hij meestal ook nog wel bij welke fabriek ze werkten. Allemaal hadden ze vanmiddag dezelfde mededeling gelezen, en degenen die het lezen niet machtig waren kregen het te horen zodra ze de fabriekshal met zijn oorverdovend stampende weefmachines uit waren gelopen om naar huis te gaan. In alle fabrieken in de stad hetzelfde verhaal, met dezelfde handtekeningen eronder.

Het was ook allemaal veel te mooi geweest, meteen al, vanaf het moment dat de sociaaldemocratische leden van de Tweede Kamer de Achturenmars aanhieven om het te vieren – de Arbeidswet die dan eindelijk daar was, de achturige werkdag eindelijk een feit, de werkweek nog maar vijfenveertig uren. Vijfenveertig! – ongelovig grijnzend hadden Jan en Gijs elkaar indertijd op de schouders geslagen.

Geen moment had hij geloofd dat er werkelijk iets zou veranderen, dat was niet hoe de wereld in elkaar stak.

Ze zaten allebei bij de vakbond en vanzelfsprekend waren ze het roerend eens geweest met alles wat de bond zei, natuurlijk, de uren die ze maakten, het was ook van de gekke, maar wat deed je eraan? Er moest wel brood op de plank en als je dacht dat je het ergens anders beter kon krijgen, nou, de meesten kwamen van een koude kermis thuis, het was overal hetzelfde en als die bonden dachten dat ze er wat aan konden doen – graag, jazeker, nou en of! Geen moment had hij geloofd dat er werkelijk iets zou veranderen, dat was niet hoe de wereld in elkaar stak, wat die sociaaldemocraten daar in Den Haag dan ook mochten beweren. Toen de bonden door het dolle heen waren en het gezang van de sociaaldemocraten alle kranten haalde, begon hij zich al stilletjes af te vragen waar de maas zou kunnen zitten. Dat was een jaar geleden.

Te pas en te onpas waarschuwden de textielfabrikanten voor wat er stond te gebeuren...

In 1918, toen de Arbeidswet werd aangenomen, besloot het kabinet dat een aantal sectoren gebruik mocht maken van een overgangsperiode van twee jaar. De werkweek achtenveertig uur – geen vijfenveertig. De werkdag achtenhalf uur – geen acht. De overgangsregeling gold voor de textielsector, de metaalnijverheid, de rederijen en nog een paar kleinere sectoren. De textielheren hadden het slim aangepakt, dat moest Jan ze nageven. Steeds al hadden ze geschermd met hun internationale concurrentiepositie: na afloop van de overgangsperiode zou de nieuwe Arbeidswet het werk en daarmee de Nederlandse textiel oneindig veel duurder maken, de mensen moesten begrijpen dat de Engelse fabrikanten zich nu al vergenoegd in de handen wreven. Te pas en te onpas waarschuwden de textielfabrikanten voor wat er stond te gebeuren: deze vermaledijde wet zou een einde maken aan de prachtige en zo belangrijke Nederlandse textielsector – opgeofferd aan de wereldvreemde idealen van de vakbonden en de sociaaldemocraten. En wie moest er dan zorgen voor de duizenden en duizenden hardwerkende arbeiders die op straat zouden komen te staan, al die gezinnen, de duizenden gezinnen, al die kleine kinderen.

...meer dan twintig heren rond een enorme tafel, in stoelen die ruim genoeg waren voor hun aanzien...

Het had gewerkt, natuurlijk had het gewerkt, want dit was precies hoe de wereld in elkaar stak. Jan zag ze voor zich, al die dikke heren met hun piekfijne pakken en hun gepommadeerde snorren, hun triomfantelijke grijns weerspiegeld in het glanzende palissander van de vergadertafel in de Groote Sociëteit. Hij kwam er weleens langs en vanaf de straat kon je de enorme kroonluchters zien en de obers en serveersters die eruitzagen om door een ringetje te halen en die als knipmessen bogen als dat zo te pas kwam, en daar hadden ze natuurlijk gezeten – onder aan het schrijven had hij in de gauwigheid meer dan twintig handtekeningen geteld –, meer dan twintig heren rond een enorme tafel, in stoelen die ruim genoeg waren voor hun aanzien, en daar zaten ze, lurkend aan hun dikke sigaren die het eigen succes nog wat extra glans gaven en de glinsterende kroonluchters in blauwe nevelen hulden.

Stof tot zwijgen is als e-boek en luisterboek verkrijgbaar bij de boekhandel.