Honderdduizend woorden in de prullenbak
Schrijven kostte steeds meer moeite, de zinnen begonnen te haperen...
En daarna leverde ik ook mijn boekcontract nog in. De uitgever was not amused, zelf was ik vooral opgelucht.
Ik werkte toen al een dikke twee jaar aan een roman met de werktitel Sterrenstof. Over een Joodse textielfabrikant in Enschede ging het: wat gebeurt er met een familie als die tijdens de Tweede Wereldoorlog een onmogelijke opdracht van de bezetter krijgt? Een roman gebaseerd op ware feiten, dat moest het worden.
...doof door de continue herrie van de stampende weefgetouwen...
Voortvarend ging ik aan de slag. Ik verzon een hele familie, ik verzon de generaties na de oorlog, ik verzon het grote huis waar de familie elke vrijdagavond samenkwam, ik verzon het personeel dat kookte, poetste en ervoor zorgde dat de familie niets tekortkwam. Ik verzon ook een textielfabriek, ik verzon de voormannen, de arbeiders die dag in dag uit in de enorme fabriekshal stonden, doof door de continue herrie van de stampende weefgetouwen, benauwd door het stof dat overal inkroop.
Mijn hoofdpersonen kwamen allemaal uit een welvarende Joodse textielfamilie, maar naarmate het project vorderde, kreeg ik er meer buikpijn van. Schrijven kostte steeds meer moeite, de zinnen begonnen te haperen en uiteindelijk moest ik aan mezelf toegeven dat ik geen kant meer op kon. Ik zat vast. Muurvast.
De uitgever maande me tot kalmte...
Weken gingen voorbij. Ik deed andere dingen, schreef andere verhalen, artikelen, interviews. Tot ik op een dag wist: klaar ermee. Weg ermee. Honderdduizend woorden in de prullenbak. De uitgever maande me tot kalmte, maar ik wist het absoluut zeker: dit was niet mijn verhaal.
En maanden later bleek hoezeer dat klopte. Het perspectief, daar was het misgegaan. Ik herinner me nog precies het moment waarop ik me dat realiseerde. Ik zat buiten te schrijven, pen en papier, een verhaal over mijn vader.
Mijn vader was een man die op zijn werk een overall droeg en thuis een kwartier bezig was om zijn eeltige knuisten weer een beetje toonbaar te maken. Mijn vader werkte in een fabriek. Vaak rook hij naar smeerolie, soms zelfs naar tolueen. Dát was mijn perspectief. En daarmee schreef Stof tot zwijgen – zoals Sterrenstof uiteindelijk ging heten – zichzelf.